Tag Archives: geheugen

Rekenen

Je kunt hardop rekenen en in je hoofdrekenen.
Een rekenrekje kan een hulpmiddel zijn net als je vingers of kleine spulletjes.
Rekenen heb je nodig als je iets wilt kopen of als je wilt weten hoeveel je nodig hebt.
Klokkijken is handig in het dagelijks leven.
Bij het spelen van spelletjes houd je de stand bij.
Net als bij taal is ook bij rekenen een goed geheugen erg belangrijk.

Tellen

  1. Telrij opnoemen, aanwijzen. Voor- en achteruit
  2. Spullen tellen, verdelen, aanvullen (zakjes met knikkers of kastanjes enz.)
  3. Versjes en liedjes over tellen. (af- en optelversjes)
  4. Prentenboeken over tellen

 

Getallen

  1. (Zichtbaar maken hoeveel spullen er bij een getal horen)
  2. Cijfersymbolen (kaartjes met schuurpapieren cijfers en stippen)
  3. Meer, minder, evenveel, weinig, veel, meeste, minste, groter, kleiner
  4. 0-1-2-3-4-5-6-7-8-9 zijn cijfers, met cijfers kun je getallen maken.
  5. De cijferflat

 

Oriënteren in de tijd

  1. Baby-peuter-kleuter-kind-puber-volwassen-bejaard
  2. Toen opa en oma nog kinderen waren, vroeger
  3. Dinosaurussen, de oertijd
  4. Wat doen we vandaag?
  5. Tijden, klokken, horloge’s, minuten, uur, seconde
  6. Aftellen op een kalender
  7. Maanden van het jaar, dagen van de week, dag-nacht
  8. Begrippen als: eerder, later, gisteren, eergisteren, morgen en overmorgen. Eerste, laatste, voorlaatste, vorige, volgende enz.

 

Oriënteren in de ruimte

  1. Plattegrond van de klas, de speelplaats, je kamer, je tuin
  2. De weg van huis naar school, de weg in school, een schatkaart, speurtocht
  3. Links-rechts
  4. Begrippen als: ver, dichtbij, omhoog, omlaag, naar voren, naar achteren, opzij, onder, boven, op, in, om, enz.
  5. Symmetrie, spiegelen, verkleinen, vergroten, natekenen, matrix invullen

 

Spelletjes

  1. Memorie, lotto, kwartet, uno, zwarte pieten
  2. Mens-erger-je-niet, ganzenborden, slangen en ladders, dammen, kat en muizen
  3. Wie is het eerst aan de overkant
  4. De eerlijke dobbelsteen (in een grafiek bijhouden hoe vaak een aantal ogen gegooid wordt)
  5. Boter kaas en eieren
  6. Triominos, domino, jumbolino
  7. Hinkelspellen
  8. Springtouwspelletjes en elastiekspelletjes
  9. Sjoelen

 

Meetkunde

  1. Wie is de langste, zwaarste, oudste?
  2. Wat is net zolangs als…
  3. Millimeter, centimeter, decimeter, meter, kilometer
  4. Op de keukenweegschaal, op een personenweegschaal. Met een balans wegen, of digitaal
  5. Schatten en inschatten

 

Constructiemateriaal

  1. Techniek, tandwielen, overheveling, beweging
  2. Lego, duplo, knex, nopper, sio-montage, houten blokken
  3. Bouwtekeningen lezen en maken
  4. 2D omzetten in 3D en andersom
  5. Bouwplaten van auto’s of dieren enz. Templates voor doosjes of bakjes
  6. Timmeren met afvalhout en doppen

 

Verzamelingen

  1. Verzamelingen maken (deze tellen, ordenen, categoriseren, ruilen, nummeren, benoemen enz.)
  2. Ruilen en ruilhandel
  3. Categoriseren
  4. Seriëren
  5. Rangschikken

 

Rekenmuur

  1. Grafieken, diagrammen, matrix
  2. Cijfersymbolen en hoeveelheden, getallenlijn
  3. Links-rechts
  4. Weekkalender, verjaardagskalender, aftelkalender, maanden
  5. Seizoenen
  6. Weerkalender met temperatuur

 

Taal

Taal gebruiken we elke dag. Door middel van taal maken we kenbaar wat we willen. Er is gesproken en geschreven taal. Je kunt het horen en zien. Dove mensen gebruiken gebarentaal. Blinde mensen gebruiken Braille-schrift. Er zijn veel soorten talen. Ons Nederlands behoort tot de West Germaanse talen.

Verhalen worden verteld, er wordt naar geluisterd. Verhalen worden uitgebeeld of gezongen. Je kan een verhaal onthouden, doorvertellen en opschrijven.
Boeken staan vol met taal en overal om je heen zie je taal, op reclameborden en in winkels.
Taal is heel belangrijk, het geeft je de mogelijkheid vanalles te leren.

Kringgesprek

  1. Bespreken wat er leeft (wat heb je gedaan in het weekend? Wat ging er goed bij het buitenspelen? Of over een belangrijke gebeurtenis. Vooruitblikken)
  2. Een thema introduceren (liefst met materialen erbij)
  3. Creatieve gesprekken (Contraminevragen stellen; filosoferen)

Luisteren

  1.  Luisteren naar elkaar
  2. Luisteren naar een verhaal
  3. Luisteren naar een geluid (met plaatjes of voorwerpen, in de juiste volgorde leggen
  4. Luisteren naar verschillen in klanken (rijmen)

Praten

  1. Praten met elkaar
  2. Praten over een onderwerp
  3. Geluiden maken met je mond (dierengeluiden, geluiden van dingen, onzingeluiden)

Geheugen

  1. Verhaal navertellen (ook doen alsof je leest)
  2. Geheugenspelletjes: Memorie, kimspel, veranderspel en wat hebben ze hetzelfde?
  3. Versjes opzeggen
  4. Namen onthouden (en adressen)

Vertellen

  1. Verhalen vertellen (Uit je hoofd een verhaal vertellen geeft meer ruimte voor interactie dan wanneer je uit een boek voorleest) (interactie verhaal: de kinderen bedenken steeds hoe het verhaal verder gaat)
  2. Poppenkast stimuleert het inlevingsvermogen. De kinderen ervaren hoe het is om leiding te nemen of te volgen.
  3. Voorlezen (boeken, prentenboeken) Tijdens voorlezen gaat het vooral om de mimiek, intonatie en de uitspraak. Er kunnen momenten voor interactie voorkomen.
  4. Gedichten en versjes voordragen (Ritmiek en rijm zorgen ervoor dat het makkerlijker onthouden kan worden.)
  5. Verhalen verwerken, naspelen (vertel-speeltafel; vertel-kleien; vertel-tekenen)
  6. Vertelpantomime: Tijdens een verhaal beelden de kinderen uit. De beginfase van toneelspelen.
  7. Verteltafel. Een tafel met daarop een prentenboek en bij behorende spulletjes. Het boek is eerst voorgelezen in de kring en kan nu uitgespeeld worden.

Begrippen

  1. Begrippen uitbeelden (Lang-kort, hoog-laag, dik-dun, voor-achter enz.)
  2. Begrippen spelletjes (sorteren, rubriceren, categoriseren, seriëren)
  3. Links-rechtsorientatie
  4. Boekbegrippen: kaft, titel, rug, schrijver, illustrator
  5. Letters maken een woord, woorden maken zinnen, zinnen maken een verhaal, een verhaal zit in een boek.

Letters

  1. Letters herkennen (dat is mijn naam; daar staat pindakaas)
  2. Letters naschrijven, stempelen of plakken (stempelkaartjes, letterflat)
  3. Letters maken van klei, brooddeeg, koekjesdeeg, papier, blokken. kralenplankjes
  4. Woorden vormen (juf wat staat hier?)

Woordenschat

  1. Woordenschat vergroten (Het woord van de dag)
  2. Woorden aanbieden (Stempelkaartjes, Leesrups enz)

Woordspin

  1. Zet een woord (of het thema) in het midden van een blad. Trek een cirkel om het woord. Trek vanaf de cirkel strepen, aan het eind van die strepen zet je een nieuw woord wat bij het woord in het midden past. Ter verduidelijking een tekening of plaatje erbij

Schrijven

  1. Krassen en tekenen
  2. Logografisch schrift (http://www.slo.nl/primair/leergebieden/ned/taalsite/lexicon/00478/)
  3. Pictogrammen
  4. Geheimschrift

Auditief en  visueel

Auditief geheugen: Een kind kan een gesproken informatie korte of langere tijd onthouden en navertellen

Auditieve analyse: Een kind kan (op gehoor) een woord “in stukjes hakken”. (letters)

Auditieve synthese: Een kind kan (op gehoor) verschillende letters “plakken”. (een woord)

Auditieve discriminatie: Een kind hoort of twee woorden rijmen of niet.

Visueel geheugen: Een kind kan getoonde informatie korte of langere tijd onthouden en navertellen.

Visuele analyse: Een kind kan verschillen en overeenkomsten opzoeken in twee afbeeldingen. Een kind kan verschillen tussen lettertekens/cijfersymbolen zien.

Visuele discriminatie: Een kind kan onderscheid maken tussen letters.