Tag Archives: vingers

Rekenkaartjes

Telrij:

Leg op volgorde, met de plaatjes ernaast.

Foetsie:

Leg op volgorde. Eén kind doet zijn ogen dicht een ander kind mag een kaartje wegpakken. Welk kaartje ontbreekt?

Vingers:

Laat een cijferkaartje zien, zoveel vingers moet iedereen opsteken.

Dezelfde:

Het cijferkaartje en het juiste plaatje erbij zoeken. Dus gelijke paren maken.

Memorie:

Door de juiste paren te zoeken kan een memoriespel gespeeld worden.

Met spulletjes:

Leg de cijferkaartjes neer. Wijs een kind aan die bij één van de kaartjes de juiste hoeveelheid spulletjes mag zoeken. (bv. Potloden, legoblokken, kraaltjes)
Variatie: zoek spullen die bij een cijferkaartje passen. Dus bijvoorbeeld een driehoekje bij de drie of een stoel (met vier poten) bij de vier enz.

Met een bak kastanjes:

Leg de cijferkaartjes neer. Wijs een kind aan die bij één van de kaartjes de juiste hoeveelheid kastanjes mag leggen.
Variatie: eentje meer of juist eentje minder.
Nog moeilijker: twee keer zo veel.

Hoogste bod:

Schud de cijfer- en plaatjeskaartjes goed door elkaar. Verdeel in tweeën. Beiden draaien tegelijk een kaartje om en kijken wie het hoogste cijfer of aantal heeft. De winnaar mag de kaartjes pakken. Als alle kaartjes geweest zijn tellen wie de meeste kaartjes heeft gewonnen. Variatie: Laagste bod.

Dobbelen:

Nu heb je ook nog een dobbelsteen nodig. En alleen de cijferkaartjes en plaatjeskaartjes van 1 tot en met 6. De spelers gooien om de beurt met de dobbelsteen. Ze mogen het juiste kaartje erbij pakken (een cijfer- of een plaatjeskaartje). Als het kaartje dat je nodig hebt er niet meer bij ligt, gaat je beurt voorbij. Wie heeft aan het einde de meeste kaartjes?

Lotto:

Verdeel de plaatjeskaartjes over drie kinderen. Die leggen de kaartjes open voor zich neer. De cijferkaartjes worden goed geschud en zijn voor het vierde kind. Het vierde kind laat steeds één kaartje zien. Het kind met het bijpassende plaatjeskaartje krijgt dit kaartje en legt het over zijn eigen kaartje heen. Degene die het eerst zijn kaartjes heeft afgedekt is de winnaar.

Zoek spullen…:

Net zo lang als dit touw. (leg een voorbeeld touwtje neer)

Net zo zwaar als dit blok. (daar heb je een balans bij nodig)
Dit kan je met verschillende blokken doen.

Net zo veel als dit cijfer. (leg een cijferkaartje neer)

Net zo dik/ dun als deze koker. (leg een koker neer)

Net zo groot/ klein dat het in dit doosje past. (leg een doosje neer)

Kleurendobbelspel:

10 kleine vouwblaadjes in verschillende kleuren en twee dobbelstenen.

Leg de vouwblaadjes neer. Gooi de dobbelsteen en leg hem op een kleur naar keuze. Daarna gaat het kind op zoek naar net zoveel spullen in de gekozen kleur en legt alles erbij.

Cijferkaartjes:

rekencijfers1-6rekencijfers7-12

Herfstplaatjes:

rekenplaatjes1-6rekenplaatjes7-12

 

 

 

Rekenen

Je kunt hardop rekenen en in je hoofdrekenen.
Een rekenrekje kan een hulpmiddel zijn net als je vingers of kleine spulletjes.
Rekenen heb je nodig als je iets wilt kopen of als je wilt weten hoeveel je nodig hebt.
Klokkijken is handig in het dagelijks leven.
Bij het spelen van spelletjes houd je de stand bij.
Net als bij taal is ook bij rekenen een goed geheugen erg belangrijk.

Tellen

  1. Telrij opnoemen, aanwijzen. Voor- en achteruit
  2. Spullen tellen, verdelen, aanvullen (zakjes met knikkers of kastanjes enz.)
  3. Versjes en liedjes over tellen. (af- en optelversjes)
  4. Prentenboeken over tellen

 

Getallen

  1. (Zichtbaar maken hoeveel spullen er bij een getal horen)
  2. Cijfersymbolen (kaartjes met schuurpapieren cijfers en stippen)
  3. Meer, minder, evenveel, weinig, veel, meeste, minste, groter, kleiner
  4. 0-1-2-3-4-5-6-7-8-9 zijn cijfers, met cijfers kun je getallen maken.
  5. De cijferflat

 

Oriënteren in de tijd

  1. Baby-peuter-kleuter-kind-puber-volwassen-bejaard
  2. Toen opa en oma nog kinderen waren, vroeger
  3. Dinosaurussen, de oertijd
  4. Wat doen we vandaag?
  5. Tijden, klokken, horloge’s, minuten, uur, seconde
  6. Aftellen op een kalender
  7. Maanden van het jaar, dagen van de week, dag-nacht
  8. Begrippen als: eerder, later, gisteren, eergisteren, morgen en overmorgen. Eerste, laatste, voorlaatste, vorige, volgende enz.

 

Oriënteren in de ruimte

  1. Plattegrond van de klas, de speelplaats, je kamer, je tuin
  2. De weg van huis naar school, de weg in school, een schatkaart, speurtocht
  3. Links-rechts
  4. Begrippen als: ver, dichtbij, omhoog, omlaag, naar voren, naar achteren, opzij, onder, boven, op, in, om, enz.
  5. Symmetrie, spiegelen, verkleinen, vergroten, natekenen, matrix invullen

 

Spelletjes

  1. Memorie, lotto, kwartet, uno, zwarte pieten
  2. Mens-erger-je-niet, ganzenborden, slangen en ladders, dammen, kat en muizen
  3. Wie is het eerst aan de overkant
  4. De eerlijke dobbelsteen (in een grafiek bijhouden hoe vaak een aantal ogen gegooid wordt)
  5. Boter kaas en eieren
  6. Triominos, domino, jumbolino
  7. Hinkelspellen
  8. Springtouwspelletjes en elastiekspelletjes
  9. Sjoelen

 

Meetkunde

  1. Wie is de langste, zwaarste, oudste?
  2. Wat is net zolangs als…
  3. Millimeter, centimeter, decimeter, meter, kilometer
  4. Op de keukenweegschaal, op een personenweegschaal. Met een balans wegen, of digitaal
  5. Schatten en inschatten

 

Constructiemateriaal

  1. Techniek, tandwielen, overheveling, beweging
  2. Lego, duplo, knex, nopper, sio-montage, houten blokken
  3. Bouwtekeningen lezen en maken
  4. 2D omzetten in 3D en andersom
  5. Bouwplaten van auto’s of dieren enz. Templates voor doosjes of bakjes
  6. Timmeren met afvalhout en doppen

 

Verzamelingen

  1. Verzamelingen maken (deze tellen, ordenen, categoriseren, ruilen, nummeren, benoemen enz.)
  2. Ruilen en ruilhandel
  3. Categoriseren
  4. Seriëren
  5. Rangschikken

 

Rekenmuur

  1. Grafieken, diagrammen, matrix
  2. Cijfersymbolen en hoeveelheden, getallenlijn
  3. Links-rechts
  4. Weekkalender, verjaardagskalender, aftelkalender, maanden
  5. Seizoenen
  6. Weerkalender met temperatuur