Category Archives: Lesideeen

Vlechten

… met vlechtstroken:

Om te kunnen vlechten moet het kind een bepaalde motorische rijping hebben. Bovendien moet de kleuter kunnen tellen. Het beste is het om vlechten individueel aan te bieden. Ook heel belangrijk is dat je eerst goed geoefend hebt en een voorbeeld bij de hand hebt.

De techniek:

Twee lange dubbel gevouwen stroken evenwijdig aan elkaar leggen.
Maar de vouw van de eerste strook ligt bij de openkant van de andere strook.
Van een andere kleur, twee lange dubbel gevouwen stroken
op de vouw doorknippen; en weer dubbelvouwen.
De korte vlechtstrookjes gaan aan het werk:
“Happen en slikken”, net als de bek van een ooievaar.
Bij “happen” gaat de bek open en om de dubbele lange strook;
bij “slikken” gaat de bek dicht en tussen de dubbele lange strook.

Een mandje vlechten van vlechtstroken:

Je gebruik dubbele stroken, maak vast met een plakbandje.
Uitleggen aan de kinderen als ‘happen’ en ‘slikken’ van de ooievaar.
Zie de tekening:

Afwerking:

Een afwerking kan geknipt of gevouwen en teruggestoken worden.
Soms moeten er afwerkingsplakkertjes (ronde stickertjes) gebruikt worden, om te voorkomen dat het werkje los laat.

Als je de techniek eenmaal onder de knie hebt
kunt je er veel verschillende mandjes, servetringen, boekenleggers
en zelfs schilderijlijstjes mee maken.

 

Vouwen met 16-vierkantjes

Stap 1: Boekje

Stap 2: Rechte kruis

Stap 3: Kast met dichte deuren

Stap 4: Nog een kast met dichte deuren

Boerderijvouw

boerdeij-vouw

Dierenvouw

dierenvouwsels

Doosjesvouw

champignonproefjevouw

Eikeltjesvouw

eikeltjesvouw

Kaboutervouw

kaboutervouw2

kaboutervouw

Kasteelvouw

kasteelvouw2

Kerststervouw

Kerststerren

Koningsvouw

koningvouw

Kwal en visvouw

kwal-en-vis-vouw

Paashaasvouw

Paashaas2

Paddenstoelvouw

paddenstoelvouw

Poppenkastvouw

poppenkast-vouw

Schoen en Schaatsvouw

ski_schaats_vouw

Slakvouw

slakvouw

Sneeuwpopvouw

sneeuwpopvouw

Treintjesvouw

treintjes-vouw-1

Tulpvouw

TULPVOUW

Vouwen overige

Hartjesvouw

hartjesvouw1

IJslollievouw

ijslollievouw

IJspegelvouw

ijspegels

Kat en hondvouw

kat-en-hond-vouw

Kerstboomvouw

kerstboomvouw

Kikkervouw

Kikkervouwsel

Koekoeksklokvouw

koekoeksklokvouw

Koningsvouw

koningvouw2

Krokusvouw

krokusvouwsel

Lieveheersbeestjesvouw

lhb-vouwsel

Luiervouw

luiervouw

Narvouw

nar_vouw

Paashaasvouw

paashaas1

Wortelvouw

schoen_wortelvouw

Treintjesvouw

treintjes-vouw

Wiegvouw

wiegvouw

Wiekenvouw

Wiekenvouw

Letterkaartjes

Naamspelletje:

Neem een letterkaartje. Laat het zien en vraag wie deze letter in zijn naam heeft. Bij wie aan het begin, eind of in het midden?

Voorwerp erbij zoeken:

Leg een aantal kaartjes op tafel. Wijs een kind aan. Dat kind kiest een kaartje en zoekt er een voorwerp bij dat met die letter begint (of eindigt, of waar de letter in voorkomt)

Welke letter hoort erbij?

Leg een aantal kaartjes op tafel. Laat een voorwerp zien. Wat is dit? Wie ziet een letter op tafel liggen die hier bij hoort?

Kimspel 1:

Leg 5 kaartjes op tafel en bespreek ze.
Eén kind doet z’n ogen dicht. Een ander kind draait een kaartje om. Dan kijkt het eerste kind weer en probeert te vertellen welke letter er omgedraaid is.

Kimspel 2:

Leg 5 kaartjes op tafel en bespreek ze.
Leg een doek over de kaartjes en laat een kind opnoemen welke letters er onder de doek liggen.

Raad je plaatje 1:

Leg 5 kaartjes op tafel en bespreek ze.
Zoek met de kinderen voorwerpen die met deze letters beginnen. Voor elk kaartje één voorwerp.
Pak de kaartjes van tafel. Geef de kaartjes aan verschillende kinderen, zij leggen de kaartjes bij het goede voorwerp.

Raad je plaatje 2:

Leg 5 kaartjes op tafel en bespreek ze.
Zoek met de kinderen voorwerpen die met deze letters beginnen. Voor elk kaartje één voorwerp.
Een kind doet z’n ogen dicht. Een ander kind verwisselt twee kaartjes. Welke kaartjes zijn verwisseld?

Paren maken:

Neem een dubbel setje kaartjes. (of een setje hoofdletters en een setje kleine letters)
Welke twee kaartjes horen bij elkaar? Ga bij elkaar staan.

Memorie:

Zoek twee dezelfde bij elkaar.
Met kleine letters, of hoofdletters en kleine letters, of met kleine letter en bijpassend plaatje.

Dobbelen:

Naast de kaartjes een dobbelsteen nodig. Leg 5 kaartjes op tafel.
Gooi de dobbelsteen en leg hem bij een kaartje. Wijs evenveel kinderen aan. Zij zoeken allemaal iets wat begint met deze letter. Laat controleren.

Lotto:

Drie kinderen verdelen de letterkaartjes. Zij leggen de kaartjes open voor zich neer. Een vierde kind heeft de kaartjes met hoofdletters en houdt een-voor-een de kaartjes omhoog. Het kind die het eerste zijn kaartjes heeft afgedekt is de winnaar.

De letterkaartjes:

letters_a-fletters_g-lletters_m-rletters_s-xletters_y+z

 

Stempelkaartjes

Maak bij elk thema stempelkaartjes.
Deze kaartjes kunnen gebruikt worden om na te stempelen, schrijven of plakken.

Zet ze in een kaartenstandaard.

stempelkaartjeshouder

Spelen met stempelkaartjes:

Nastempelen:

Met grote of kleine stempels.

Naschrijven:

Met potlood, stift of wasco.

Na-plakken:

Met de letters uit de letterflat:

Letterflat

Neem een ladenkastje voor spijkers.
In elk laatje een stapeltje letters op papier.
Aan de buitenkant van het laatje een sticker met daarop de letter die in het laatje zit.
Tip: Maak van elke letter een A-tje vol, bewaar deze allemaal in een map.
Als er een letter op is kun je een kopie maken. Je hebt dan heel snel weer nieuwe voorraad.

letterflat

Scheerschuimletters:

Spuit scheerschuim op een tafel en verdeel het een beetje. Met je vinger in het schuim schrijven.

Zandletters:

Strooi wat zand op een dienblad. Met je vinger in het zand schrijven.

Kleiletters:

Maak de letters van klei.

Tijdschrift-letters:

Knip letters uit tijdschriften.

Letterkaartjes na-leggen met plastic letters.

Op het magneetbord.

 

Rekenkaartjes

Telrij:

Leg op volgorde, met de plaatjes ernaast.

Foetsie:

Leg op volgorde. Eén kind doet zijn ogen dicht een ander kind mag een kaartje wegpakken. Welk kaartje ontbreekt?

Vingers:

Laat een cijferkaartje zien, zoveel vingers moet iedereen opsteken.

Dezelfde:

Het cijferkaartje en het juiste plaatje erbij zoeken. Dus gelijke paren maken.

Memorie:

Door de juiste paren te zoeken kan een memoriespel gespeeld worden.

Met spulletjes:

Leg de cijferkaartjes neer. Wijs een kind aan die bij één van de kaartjes de juiste hoeveelheid spulletjes mag zoeken. (bv. Potloden, legoblokken, kraaltjes)
Variatie: zoek spullen die bij een cijferkaartje passen. Dus bijvoorbeeld een driehoekje bij de drie of een stoel (met vier poten) bij de vier enz.

Met een bak kastanjes:

Leg de cijferkaartjes neer. Wijs een kind aan die bij één van de kaartjes de juiste hoeveelheid kastanjes mag leggen.
Variatie: eentje meer of juist eentje minder.
Nog moeilijker: twee keer zo veel.

Hoogste bod:

Schud de cijfer- en plaatjeskaartjes goed door elkaar. Verdeel in tweeën. Beiden draaien tegelijk een kaartje om en kijken wie het hoogste cijfer of aantal heeft. De winnaar mag de kaartjes pakken. Als alle kaartjes geweest zijn tellen wie de meeste kaartjes heeft gewonnen. Variatie: Laagste bod.

Dobbelen:

Nu heb je ook nog een dobbelsteen nodig. En alleen de cijferkaartjes en plaatjeskaartjes van 1 tot en met 6. De spelers gooien om de beurt met de dobbelsteen. Ze mogen het juiste kaartje erbij pakken (een cijfer- of een plaatjeskaartje). Als het kaartje dat je nodig hebt er niet meer bij ligt, gaat je beurt voorbij. Wie heeft aan het einde de meeste kaartjes?

Lotto:

Verdeel de plaatjeskaartjes over drie kinderen. Die leggen de kaartjes open voor zich neer. De cijferkaartjes worden goed geschud en zijn voor het vierde kind. Het vierde kind laat steeds één kaartje zien. Het kind met het bijpassende plaatjeskaartje krijgt dit kaartje en legt het over zijn eigen kaartje heen. Degene die het eerst zijn kaartjes heeft afgedekt is de winnaar.

Zoek spullen…:

Net zo lang als dit touw. (leg een voorbeeld touwtje neer)

Net zo zwaar als dit blok. (daar heb je een balans bij nodig)
Dit kan je met verschillende blokken doen.

Net zo veel als dit cijfer. (leg een cijferkaartje neer)

Net zo dik/ dun als deze koker. (leg een koker neer)

Net zo groot/ klein dat het in dit doosje past. (leg een doosje neer)

Kleurendobbelspel:

10 kleine vouwblaadjes in verschillende kleuren en twee dobbelstenen.

Leg de vouwblaadjes neer. Gooi de dobbelsteen en leg hem op een kleur naar keuze. Daarna gaat het kind op zoek naar net zoveel spullen in de gekozen kleur en legt alles erbij.

Cijferkaartjes:

rekencijfers1-6rekencijfers7-12

Herfstplaatjes:

rekenplaatjes1-6rekenplaatjes7-12