Category Archives: Themapalet

Zintuiglijke ontwikkeling

Smaken verschillen

  1. proeven; lekker-niet lekker; zout-zuur-zoet-bitter-umami
  2. ruiken; lekker-vies; zoet en zuur ruiken; geurtjes benoemen.
  3. voelen; zacht, ruw, glad, plakkerig, koud, heet, hard, stroef, nat, vochtig, korrelig, smeuig, pijn
  4. horen; stil, lawaai, rustig, mooie geluiden, akelige geluiden, vrolijke en enge geluiden, geluiden herkennen
  5. zien en bekijken;

Proefjes/ onderzoekjes

  1. met etenswaren;
  2. met schimmels
  3. kristallen maken
  4. microscoop en loep gebruiken
  5. zonnewijzer, schaduwen
  6. smelten, dooien, stoom, bakken

Recepten

  1. eenvoudige gerechtjes maken
  2. recepten lezen en maken
  3. toverdrankjes bedenken

Wereldoriëntatie

Aardrijkskunde

  1. Plattegrond van: je kamer, de klas, school, schoolplein, de weg van school naar huis
  2. Wereldbol, atlas, landkaart
  3. Landen, volken en gewoontes
  4. Kinderrechten, kinderarbeid
  5. Sterren, planeten, raketten

Geschiedenis

  1. Toen ik nog een baby was
  2. Toen opa en oma er nog niet waren
  3. Dinosauriers
  4. De oertijd
  5. Ridders en Kastelen
  6. Vroeger-nu-toekomst
  7. Klokken en tijd
  8. Seizoenen en maanden

Biologie

  1. Ons lichaam
  2. Over dieren
  3. Over de natuur om ons heen
  4. Het weer

Natuurkunde/Scheikunde

  1. Proefjes
  2. Onderzoekjes
  3. Magnetisme
  4. Drijven en zinken
  5. Duurzaamheid; recycling, zuinig met water en met energie, zonne-energie, fietsdynamo

Vreemde talen

  1. Tellen in een andere taal
  2. Versjes of liedjes in een andere taal
  3. Vergelijkingen van woorden in het Nederlands en een andere taal
  4. Een ouder die een andere taal spreekt

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Gevoelens

Zelfvertrouwen

Waarden en normen

Inlevingsvermogen

  1. Poppenkast. De kinderen leren zich inleven in de poppen. Door de interactie ervaren ze hoe het is om leiding te nemen of te volgen

Betrokkenheid

  1. spullen meenemen van thuis om te laten zien
  2. spullen meenemen voor een bepaald thema
  3. ideeen opperen

Samenwerken

  1. afspraken maken
  2. regels bedenken
  3. overleggen
  4. taken verdelen
  5. elkaar helpen en stimuleren

Logeerbeer

  1. zorgen voor de beer
  2. navertellen en benoemen van gebeurtenissen en belevenissen
  3. heimwee en logeren

Kringspellen

  1. beer brom eens
  2. wat hebben ze hetzelfde
  3. ik zie ik zie wat jij niet ziet

Behendigheidsspellen

  1. Mikado
  2. Jenga
  3. Apenspel
  4. Pisa

Actie-reactie-spelletjes

  1. stoelendans
  2. krantenmeppertje
  3. alle vogels vliegen

Motoriek

Grove motoriek

  1. Gym (met klein of groot materiaal)
  2. Spelles (stationnentjes)
  3. Balspelen
  4. Tik- en overloopspellen
  5. Buitenspelen

Fijne motoriek

  1. Pengreep en zithouding
  2. Knippen (goed vasthouden, over een lijn knippen, een cirkel knippen)
  3. Scheuren (beide handen gebruiken om een richting te volgen)
  4. Kleien (kneden, draaien, rollen)
  5. Oog-handcoordinatie, pincetgreep (prikken, kralenplankjes, kralenrijgen)
  6. Vingeroefeningen (vingerversjes, opponeren)

 

 

 

 

 

Creatieve uitingen

Dans

  1. Vrij dansen
  2. In een kring, dubbele kring
  3. In een rij, dubbele rij

Dramatische vorming

  1. Verhaaltjes, liedjes, versjes uitbeelden
  2. Uitbeelden van beroepen, dieren, dingen
  3. Emoties uitbeelden
  4. Rollenspel (verkleden in de poppenhoek)
  5. Pantomime
  6. Schaduwspel
  7. Marionettenspel
  8. Poppenkast (of tafelpoppenkast)
  9. Spel met poppen
  10. Spiegelspel

Fantasie

  1. Heksen en tovenaars
  2. Draken
  3. Elfjes en kabouters
  4. Feeen

Muziek en instrumenten

  1. Luisteren naar muziek (klassiek-modern-enz.)
  2. Slaginstrumenten
  3. Muziekinstrumenten
  4. Instrumenten (of klanken) op gehoor benoemen
  5. Maat en ritme, toonhoogtes,
  6. Ritmiek-lessen in de gymzaal

Zingen en rijmen

  1. Ouderwetse kinderliedjes en rijmpjes
  2. Vingerversjes, met handen en voeten
  3. Moderne liedjes en versjes
  4. Zelf rijmpjes maken
  5. Nieuwe tekst op oude liedjes bedenken
  6. Onzinwoorden, toverspreuken

Creatieve technieken:

  1. Tekenen (potlood, stift, wasco, nat- en stoepkrijt, houtskool, inkt)
  2. Schilderen (met dikke kwast en plakaatverf, met penseel en waterverf, vingerverf, gemengde technieken, zand door verf/structuurverf, ecoline en kaars, ecoline blazen, ecoline en afwassop afdrukken, marmeren, wasco en afdekzwart,)
  3. Knutselen (met kosteloos materiaal, papiermache, katoen, wol, lapjes, natuurlijke materialen, allerlei soorten papier en karton)(mobile, trekpop, kijkdoos,
  4. Constructie: lego, duplo, knex, nopper, siomontage, blokjes
  5. Bouwen: kleine en grote blokken
  6. Techniekjes: Vouwen, stroken vlechten, draden vlechten, borduren op karton of vilt, stof, draad en papierweven, rondweven, bandweven, muizentrapjes, slingers plakken, prikken, knippen, plakken, spatten, tamponeren, wasco uitvegen, wasco afdrukken maken, knippen en omklappen, vouwen en knippen, franjes knippen, spiraalknippen, pompons maken, draad-draaien, lijm-zand tekening, gips gieten, kralenrijgen, mozaiek.
  7. Druktechnieken: Schilderen en dubbelvouwen, draad met verf en een blad in een telefoonboek persen en eruit trekken, draad of schuimfolie om een closetrol en met verf uitrollen op een blad, met een verfroller, afdrukken met zachte schuimbladen, afdrukken maken met wasco (bv boomschors of stenen, gedenkstenen, munten, kant) vinger- hand- of voetafdrukken.
  8. Stempelen: aardappelstempelen, bladeren stempelen, stempelen met kurk, wc rolletjes, wattenstaafjes enz.
  9. Boetseren: synthetischeklei, brooddeeg, natuurklei, playdough, papiermache.
  10. Gips: afdrukken maken, vormpjes gieten, beeldhouwen.
  11. Collages maken.

Bijzonderheden

Gast in de klas

  1. Een ouder, opa of oma, of andere bekende van een kind of juf, die iets bijzonders kan laten zien
  2. Een plaatselijke beroemdheid: de burgemeester, een politieagent, een middenstander of iemand met een ander beroep
  3. Deskundige
  4. Een bekende Nederlander vragen voor een bezoek

Uitstapjes

  1. Naar een winkel of bedrijf/instelling. (boerderij, bibliotheek, bakker, fietsenmaker, werkplaats of fabriek, bejaardenhuis, gemeentehuis)
  2. Naar een kinderboerderij of speelplaats of theater
  3. Natuur in de omgeving
  4. Erfgoed in de omgeving

Afsluiting van een thema

  1. Toneelstuk
  2. Show
  3. Feest
  4. Tentoonstelling
  5. Markt, Fancy Fair,
  6. Een boek, schilderij, film, fotoboek

Rekenen

Je kunt hardop rekenen en in je hoofdrekenen.
Een rekenrekje kan een hulpmiddel zijn net als je vingers of kleine spulletjes.
Rekenen heb je nodig als je iets wilt kopen of als je wilt weten hoeveel je nodig hebt.
Klokkijken is handig in het dagelijks leven.
Bij het spelen van spelletjes houd je de stand bij.
Net als bij taal is ook bij rekenen een goed geheugen erg belangrijk.

Tellen

  1. Telrij opnoemen, aanwijzen. Voor- en achteruit
  2. Spullen tellen, verdelen, aanvullen (zakjes met knikkers of kastanjes enz.)
  3. Versjes en liedjes over tellen. (af- en optelversjes)
  4. Prentenboeken over tellen

 

Getallen

  1. (Zichtbaar maken hoeveel spullen er bij een getal horen)
  2. Cijfersymbolen (kaartjes met schuurpapieren cijfers en stippen)
  3. Meer, minder, evenveel, weinig, veel, meeste, minste, groter, kleiner
  4. 0-1-2-3-4-5-6-7-8-9 zijn cijfers, met cijfers kun je getallen maken.
  5. De cijferflat

 

Oriënteren in de tijd

  1. Baby-peuter-kleuter-kind-puber-volwassen-bejaard
  2. Toen opa en oma nog kinderen waren, vroeger
  3. Dinosaurussen, de oertijd
  4. Wat doen we vandaag?
  5. Tijden, klokken, horloge’s, minuten, uur, seconde
  6. Aftellen op een kalender
  7. Maanden van het jaar, dagen van de week, dag-nacht
  8. Begrippen als: eerder, later, gisteren, eergisteren, morgen en overmorgen. Eerste, laatste, voorlaatste, vorige, volgende enz.

 

Oriënteren in de ruimte

  1. Plattegrond van de klas, de speelplaats, je kamer, je tuin
  2. De weg van huis naar school, de weg in school, een schatkaart, speurtocht
  3. Links-rechts
  4. Begrippen als: ver, dichtbij, omhoog, omlaag, naar voren, naar achteren, opzij, onder, boven, op, in, om, enz.
  5. Symmetrie, spiegelen, verkleinen, vergroten, natekenen, matrix invullen

 

Spelletjes

  1. Memorie, lotto, kwartet, uno, zwarte pieten
  2. Mens-erger-je-niet, ganzenborden, slangen en ladders, dammen, kat en muizen
  3. Wie is het eerst aan de overkant
  4. De eerlijke dobbelsteen (in een grafiek bijhouden hoe vaak een aantal ogen gegooid wordt)
  5. Boter kaas en eieren
  6. Triominos, domino, jumbolino
  7. Hinkelspellen
  8. Springtouwspelletjes en elastiekspelletjes
  9. Sjoelen

 

Meetkunde

  1. Wie is de langste, zwaarste, oudste?
  2. Wat is net zolangs als…
  3. Millimeter, centimeter, decimeter, meter, kilometer
  4. Op de keukenweegschaal, op een personenweegschaal. Met een balans wegen, of digitaal
  5. Schatten en inschatten

 

Constructiemateriaal

  1. Techniek, tandwielen, overheveling, beweging
  2. Lego, duplo, knex, nopper, sio-montage, houten blokken
  3. Bouwtekeningen lezen en maken
  4. 2D omzetten in 3D en andersom
  5. Bouwplaten van auto’s of dieren enz. Templates voor doosjes of bakjes
  6. Timmeren met afvalhout en doppen

 

Verzamelingen

  1. Verzamelingen maken (deze tellen, ordenen, categoriseren, ruilen, nummeren, benoemen enz.)
  2. Ruilen en ruilhandel
  3. Categoriseren
  4. Seriëren
  5. Rangschikken

 

Rekenmuur

  1. Grafieken, diagrammen, matrix
  2. Cijfersymbolen en hoeveelheden, getallenlijn
  3. Links-rechts
  4. Weekkalender, verjaardagskalender, aftelkalender, maanden
  5. Seizoenen
  6. Weerkalender met temperatuur

 

Taal

Taal gebruiken we elke dag. Door middel van taal maken we kenbaar wat we willen. Er is gesproken en geschreven taal. Je kunt het horen en zien. Dove mensen gebruiken gebarentaal. Blinde mensen gebruiken Braille-schrift. Er zijn veel soorten talen. Ons Nederlands behoort tot de West Germaanse talen.

Verhalen worden verteld, er wordt naar geluisterd. Verhalen worden uitgebeeld of gezongen. Je kan een verhaal onthouden, doorvertellen en opschrijven.
Boeken staan vol met taal en overal om je heen zie je taal, op reclameborden en in winkels.
Taal is heel belangrijk, het geeft je de mogelijkheid vanalles te leren.

Kringgesprek

  1. Bespreken wat er leeft (wat heb je gedaan in het weekend? Wat ging er goed bij het buitenspelen? Of over een belangrijke gebeurtenis. Vooruitblikken)
  2. Een thema introduceren (liefst met materialen erbij)
  3. Creatieve gesprekken (Contraminevragen stellen; filosoferen)

Luisteren

  1.  Luisteren naar elkaar
  2. Luisteren naar een verhaal
  3. Luisteren naar een geluid (met plaatjes of voorwerpen, in de juiste volgorde leggen
  4. Luisteren naar verschillen in klanken (rijmen)

Praten

  1. Praten met elkaar
  2. Praten over een onderwerp
  3. Geluiden maken met je mond (dierengeluiden, geluiden van dingen, onzingeluiden)

Geheugen

  1. Verhaal navertellen (ook doen alsof je leest)
  2. Geheugenspelletjes: Memorie, kimspel, veranderspel en wat hebben ze hetzelfde?
  3. Versjes opzeggen
  4. Namen onthouden (en adressen)

Vertellen

  1. Verhalen vertellen (Uit je hoofd een verhaal vertellen geeft meer ruimte voor interactie dan wanneer je uit een boek voorleest) (interactie verhaal: de kinderen bedenken steeds hoe het verhaal verder gaat)
  2. Poppenkast stimuleert het inlevingsvermogen. De kinderen ervaren hoe het is om leiding te nemen of te volgen.
  3. Voorlezen (boeken, prentenboeken) Tijdens voorlezen gaat het vooral om de mimiek, intonatie en de uitspraak. Er kunnen momenten voor interactie voorkomen.
  4. Gedichten en versjes voordragen (Ritmiek en rijm zorgen ervoor dat het makkerlijker onthouden kan worden.)
  5. Verhalen verwerken, naspelen (vertel-speeltafel; vertel-kleien; vertel-tekenen)
  6. Vertelpantomime: Tijdens een verhaal beelden de kinderen uit. De beginfase van toneelspelen.
  7. Verteltafel. Een tafel met daarop een prentenboek en bij behorende spulletjes. Het boek is eerst voorgelezen in de kring en kan nu uitgespeeld worden.

Begrippen

  1. Begrippen uitbeelden (Lang-kort, hoog-laag, dik-dun, voor-achter enz.)
  2. Begrippen spelletjes (sorteren, rubriceren, categoriseren, seriëren)
  3. Links-rechtsorientatie
  4. Boekbegrippen: kaft, titel, rug, schrijver, illustrator
  5. Letters maken een woord, woorden maken zinnen, zinnen maken een verhaal, een verhaal zit in een boek.

Letters

  1. Letters herkennen (dat is mijn naam; daar staat pindakaas)
  2. Letters naschrijven, stempelen of plakken (stempelkaartjes, letterflat)
  3. Letters maken van klei, brooddeeg, koekjesdeeg, papier, blokken. kralenplankjes
  4. Woorden vormen (juf wat staat hier?)

Woordenschat

  1. Woordenschat vergroten (Het woord van de dag)
  2. Woorden aanbieden (Stempelkaartjes, Leesrups enz)

Woordspin

  1. Zet een woord (of het thema) in het midden van een blad. Trek een cirkel om het woord. Trek vanaf de cirkel strepen, aan het eind van die strepen zet je een nieuw woord wat bij het woord in het midden past. Ter verduidelijking een tekening of plaatje erbij

Schrijven

  1. Krassen en tekenen
  2. Logografisch schrift (http://www.slo.nl/primair/leergebieden/ned/taalsite/lexicon/00478/)
  3. Pictogrammen
  4. Geheimschrift

Auditief en  visueel

Auditief geheugen: Een kind kan een gesproken informatie korte of langere tijd onthouden en navertellen

Auditieve analyse: Een kind kan (op gehoor) een woord “in stukjes hakken”. (letters)

Auditieve synthese: Een kind kan (op gehoor) verschillende letters “plakken”. (een woord)

Auditieve discriminatie: Een kind hoort of twee woorden rijmen of niet.

Visueel geheugen: Een kind kan getoonde informatie korte of langere tijd onthouden en navertellen.

Visuele analyse: Een kind kan verschillen en overeenkomsten opzoeken in twee afbeeldingen. Een kind kan verschillen tussen lettertekens/cijfersymbolen zien.

Visuele discriminatie: Een kind kan onderscheid maken tussen letters.