Smaken verschillen

  1. proeven; lekker-niet lekker; zout-zuur-zoet-bitter-umami
  2. ruiken; lekker-vies; zoet en zuur ruiken; geurtjes benoemen.
  3. voelen; zacht, ruw, glad, plakkerig, koud, heet, hard, stroef, nat, vochtig, korrelig, smeuig, pijn
  4. horen; stil, lawaai, rustig, mooie geluiden, akelige geluiden, vrolijke en enge geluiden, geluiden herkennen
  5. zien en bekijken;

Proefjes/ onderzoekjes

  1. met etenswaren;
  2. met schimmels
  3. kristallen maken
  4. microscoop en loep gebruiken
  5. zonnewijzer, schaduwen
  6. smelten, dooien, stoom, bakken

Recepten

  1. eenvoudige gerechtjes maken
  2. recepten lezen en maken
  3. toverdrankjes bedenken